afzeggen

Look up any Dutch word — plurals, conjugated verbs, and comparatives all resolve to the right entry

verba1
Translation
cancel
Pronunciation: af-zeh-ghun
Example
Hij moest de afspraak afzeggen.
He had to cancel the appointment.
Conjugation
ikzeg af
jijzegt af
hijzegt af
wijzeggen af
julliezeggen af
zijzeggen af
Past tense
zeggde / zeggden
Past participle
hebbengeafzeggd
Imperative
zegg
Conditional
zou afzeggen
Future
zal afzeggen
Separable verb