beginnen

Look up any Dutch word — plurals, conjugated verbs, and comparatives all resolve to the right entry

verba2
Translation
to begin
Pronunciation: buh-KHIN-nen
Example
We beginnen morgen met het project.
We start the project tomorrow.
Conjugation
ikbegin
jijbegint
hijbegint
wijbeginnen
julliebeginnen
zijbeginnen
Past tense
begon / begonnen
Past participle
zijnbegonnen
Imperative
begin
Conditional
zou beginnen
Future
zal beginnen