benoemen

Look up any Dutch word — plurals, conjugated verbs, and comparatives all resolve to the right entry

verba1
Translation
appoint
Pronunciation: buh-NOO-mun
Example
Ze willen hem tot directeur benoemen.
They want to appoint him as director.
Conjugation
ikbenoem
jijbenoemt
hijbenoemt
wijbenoemen
julliebenoemen
zijbenoemen
Past tense
benoemde / benoemden
Past participle
hebbengebenoemd
Imperative
benoem
Conditional
zou benoemen
Future
zal benoemen