beslissen

Look up any Dutch word — plurals, conjugated verbs, and comparatives all resolve to the right entry

verbb1
Translation
to decide
Pronunciation: be-sli-sen
Example
We moeten snel beslissen wat we gaan doen.
We need to decide quickly what we are going to do.
Conjugation
ikbeslis
jijbeslist
hijbeslist
wijbeslissen
julliebeslissen
zijbeslissen
Past tense
besliste / beslisten
Past participle
hebbenbeslist
Imperative
beslis
Conditional
zou beslissen
Future
zal beslissen