besparen

Look up any Dutch word — plurals, conjugated verbs, and comparatives all resolve to the right entry

verba1
Translation
save
Pronunciation: be-spar-en
Example
We proberen elke maand geld te besparen.
We try to save money every month.
Conjugation
ikbespaar
jijbespaart
hijbespaart
wijbesparen
julliebesparen
zijbesparen
Past tense
besparde / besparden
Past participle
hebbengebespard
Imperative
bespar
Conditional
zou besparen
Future
zal besparen