betrouwen

Look up any Dutch word — plurals, conjugated verbs, and comparatives all resolve to the right entry

verbb2
Translation
to trust
Pronunciation: buh-trou-wen
Example
Je kunt op hem betrouwen in moeilijke tijden.
You can rely on him in difficult times.
Conjugation
ikbetrouw
jijbetrouwt
hijbetrouwt
wijbetrouwen
julliebetrouwen
zijbetrouwen
Past tense
betrouwde / betrouwden
Past participle
gebetrouwd
Imperative
betrouw
Conditional
zou betrouwen
Future
zal betrouwen