bezoeken

Look up any Dutch word — plurals, conjugated verbs, and comparatives all resolve to the right entry

verba2
Translation
to visit
Pronunciation: buh-zoo-kuhn
Example
We gaan dit weekend onze grootouders bezoeken.
We are going to visit our grandparents this weekend.
Conjugation
ikbezoek
jijbezoekt
hijbezoekt
wijbezoeken
julliebezoeken
zijbezoeken
Past tense
bezocht / bezochten
Past participle
hebbenbezocht
Imperative
bezoek
Conditional
zou bezoeken
Future
zal bezoeken