bezorgen

Look up any Dutch word — plurals, conjugated verbs, and comparatives all resolve to the right entry

verbb1
Translation
deliver
Pronunciation: be-zor-ghen
Example
De postbode zal het pakket morgen bezorgen.
The mailman will deliver the package tomorrow.
Conjugation
ikbezorg
jijbezorgt
hijbezorgt
wijbezorgen
julliebezorgen
zijbezorgen
Past tense
bezorgde / bezorgden
Past participle
hebbenbezorgd
Imperative
bezorg
Conditional
zou bezorgen
Future
zal bezorgen