bijspreken

Look up any Dutch word — plurals, conjugated verbs, and comparatives all resolve to the right entry

verba1
Translation
to talk over
Pronunciation: bai-sprei-kuhn
Example
We moeten binnenkort even bijspreken.
We need to catch up soon.
Conjugation
ikbijspreek
jijbijspreekt
hijbijspreekt
wijbijspreken
julliebijspreken
zijbijspreken
Past tense
sprekte / sprekten
Past participle
hebbengebijsprekt
Imperative
sprek
Conditional
zou bijspreken
Future
zal bijspreken
Separable verb