bijten

Look up any Dutch word — plurals, conjugated verbs, and comparatives all resolve to the right entry

verba1
Translation
bite
Pronunciation: bai-tuhn
Example
De hond probeert niet te bijten.
The dog tries not to bite.
Conjugation
ikbijt
jijbijt
hijbijt
wijbijten
julliebijten
zijbijten
Past tense
beet / beten
Past participle
hebbengebeten
Imperative
t
Conditional
zou bijten
Future
zal bijten
Separable verb