binnenbreken
Look up any Dutch word — plurals, conjugated verbs, and comparatives all resolve to the right entry
verba1
Translation
break in
Pronunciation: bin-nen-bray-ken
Example
De dief probeerde het huis binnen te breken.
The thief tried to break into the house.
Conjugation
| ik | breek binnen |
| jij | breekt binnen |
| hij | breekt binnen |
| wij | binnenbreken |
| jullie | binnenbreken |
| zij | binnenbreken |
Past tense
brekte / brekten
Past participle
hebbengebinnenbrekt
Imperative
brek
Conditional
zou binnenbreken
Future
zal binnenbreken
Separable verb