bloeden

Look up any Dutch word — plurals, conjugated verbs, and comparatives all resolve to the right entry

verbb1
Translation
bleed
Pronunciation: bloo-den
Example
Zijn wond begon te bloeden.
His wound started to bleed.
Conjugation
ikbloed
jijbloedt
hijbloedt
wijbloeden
julliebloeden
zijbloeden
Past tense
bloedde / bloedden
Past participle
hebbengebloed
Imperative
bloed
Conditional
zou bloeden
Future
zal bloeden