buitenhouden
Look up any Dutch word — plurals, conjugated verbs, and comparatives all resolve to the right entry
verba1
Translation
keep out
Pronunciation: bai-ten-how-den
Example
We moeten de kou buitenhouden.
We need to keep the cold out.
Conjugation
| ik | houd buiten |
| jij | houdt buiten |
| hij | houdt buiten |
| wij | buitenhouden |
| jullie | buitenhouden |
| zij | buitenhouden |
Past tense
houdde / houdden
Past participle
hebbengebuitenhoudd
Imperative
houd
Conditional
zou buitenhouden
Future
zal buitenhouden
Separable verb