dagen

Look up any Dutch word — plurals, conjugated verbs, and comparatives all resolve to the right entry

verba1
Translation
to last
Pronunciation: dah-ghen
Example
De dagen worden korter in de winter.
The days are getting shorter in winter.
Conjugation
ikdaag
jijdaagt
hijdaagt
wijdagen
julliedagen
zijdagen
Past tense
dagde / dagden
Past participle
hebbengedagd
Imperative
dag
Conditional
zou dagen
Future
zal dagen