doorgeven

Look up any Dutch word — plurals, conjugated verbs, and comparatives all resolve to the right entry

verbb1
Translation
to pass on
Pronunciation: door-gay-vuhn
Example
Kun je het zout even doorgeven?
Can you pass the salt, please?
Conjugation
ikgeef door
jijgeeft door
hijgeeft door
wijdoorgeven
julliedoorgeven
zijdoorgeven
Past tense
gaf door / gaven door
Past participle
hebbendoorgegeven
Imperative
geef door
Conditional
zou doorgeven
Future
zal doorgeven
Separable verb