doorrekenen

Look up any Dutch word — plurals, conjugated verbs, and comparatives all resolve to the right entry

verba1
Translation
calculate
Pronunciation: door-ray-ke-nen
Example
We moeten de kosten nog doorrekenen.
We still need to calculate the costs.
Conjugation
ikreken door
jijrekent door
hijrekent door
wijdoorrekenen
julliedoorrekenen
zijdoorrekenen
Past tense
rekende / rekenden
Past participle
hebbengedoorrekend
Imperative
reken
Conditional
zou doorrekenen
Future
zal doorrekenen
Separable verb