doorrijden

Look up any Dutch word — plurals, conjugated verbs, and comparatives all resolve to the right entry

verba1
Translation
to drive on
Pronunciation: dohr-ray-den
Example
We kunnen beter doorrijden om op tijd te zijn.
We'd better keep driving to be on time.
Conjugation
ikrijd door
jijrijdt door
hijrijdt door
wijdoorrijden
julliedoorrijden
zijdoorrijden
Past tense
rijdde / rijdden
Past participle
hebbengedoorrijdd
Imperative
rijd
Conditional
zou doorrijden
Future
zal doorrijden
Separable verb