geven

Look up any Dutch word — plurals, conjugated verbs, and comparatives all resolve to the right entry

verba1
Translation
give
Pronunciation: KHAY-ven
Example
Kun je me het boek geven?
Can you give me the book?
Conjugation
ikgeef
jijgeeft
hijgeeft
wijgeven
julliegeven
zijgeven
Past tense
gaf / gaven
Past participle
hebbengegeven
Imperative
gev
Conditional
zou geven
Future
zal geven