goedmaken

Look up any Dutch word — plurals, conjugated verbs, and comparatives all resolve to the right entry

verbb1
Translation
to make up
Pronunciation: khoot-mah-kuhn
Example
Hij probeert zijn fout goed te maken.
He is trying to make up for his mistake.
Conjugation
ikmaak goed
jijmaakt goed
hijmaakt goed
wijgoedmaken
julliegoedmaken
zijgoedmaken
Past tense
maakte goed / maakten goed
Past participle
hebbengoedgemaakt
Imperative
maak goed
Conditional
zou goedmaken
Future
zal goedmaken
Separable verb