inrijden

Look up any Dutch word — plurals, conjugated verbs, and comparatives all resolve to the right entry

verba1
Translation
to drive in
Pronunciation: in-ray-den
Example
Je moet de nieuwe auto voorzichtig inrijden.
You need to break in the new car carefully.
Conjugation
ikrij in
jijrijdt in
hijrijdt in
wijinrijden
jullieinrijden
zijinrijden
Past tense
rijdde / rijdden
Past participle
hebbengeinrijdd
Imperative
rijd
Conditional
zou inrijden
Future
zal inrijden
Separable verb