opbouwen
Look up any Dutch word — plurals, conjugated verbs, and comparatives all resolve to the right entry
verbb1
Translation
build up
Pronunciation: op-bow-wun
Example
We moeten het vertrouwen opnieuw opbouwen.
We need to rebuild the trust.
Conjugation
| ik | bouw op |
| jij | bouwt op |
| hij | bouwt op |
| wij | bouwen op |
| jullie | bouwen op |
| zij | bouwen op |
Past tense
bouwde / bouwden
Past participle
hebbengeopbouwd
Imperative
bouw
Conditional
zou opbouwen
Future
zal opbouwen
Separable verb