opdelen

Look up any Dutch word — plurals, conjugated verbs, and comparatives all resolve to the right entry

verbb1
Translation
to divide up
Pronunciation: op-de-len
Example
We moeten de taken eerlijk opdelen.
We need to divide the tasks fairly.
Conjugation
ikdeel op
jijdeelt op
hijdeelt op
wijopdelen
jullieopdelen
zijopdelen
Past tense
delde / delden
Past participle
hebbengeopdeld
Imperative
del
Conditional
zou opdelen
Future
zal opdelen
Separable verb