opdragen

Look up any Dutch word — plurals, conjugated verbs, and comparatives all resolve to the right entry

verbb1
Translation
assign
Pronunciation: op-dra-gen
Example
De leraar droeg ons op om stil te zijn.
The teacher instructed us to be quiet.
Conjugation
ikdraag op
jijdraagt op
hijdraagt op
wijdragen op
julliedragen op
zijdragen op
Past tense
dragde / dragden
Past participle
hebbengeopdragd
Imperative
drag
Conditional
zou opdragen
Future
zal opdragen
Separable verb