opgeven

Look up any Dutch word — plurals, conjugated verbs, and comparatives all resolve to the right entry

verbb1
Translation
to give up
Pronunciation: op-gay-vuhn
Example
Hij wil niet opgeven, zelfs als het moeilijk wordt.
He doesn't want to give up, even when it gets tough.
Conjugation
ikgeef op
jijgeeft op
hijgeeft op
wijopgeven
jullieopgeven
zijopgeven
Past tense
gaf op / gaven op
Past participle
hebbenopgegeven
Imperative
geef op
Conditional
zou opgeven
Future
zal opgeven
Separable verb