oprijden

Look up any Dutch word — plurals, conjugated verbs, and comparatives all resolve to the right entry

verbb1
Translation
drive up
Pronunciation: op-ray-den
Example
Hij rijdt de oprit op met zijn fiets.
He rides up the driveway with his bike.
Conjugation
ikoprij
jijoprijdt
hijoprijdt
wijoprijden
jullieoprijden
zijoprijden
Past tense
rijdde / rijdden
Past participle
hebbengeoprijdd
Imperative
rijd
Conditional
zou oprijden
Future
zal oprijden
Separable verb