opwerken

Look up any Dutch word — plurals, conjugated verbs, and comparatives all resolve to the right entry

verbb2
Translation
to work up
Pronunciation: op-verk-en
Example
Hij heeft zich in het bedrijf opgewerkt tot manager.
He worked his way up to manager in the company.
Conjugation
ikopwerk
jijopwerkt
hijopwerkt
wijopwerken
jullieopwerken
zijopwerken
Past tense
werkte / werkten
Past participle
hebbengeopwerkt
Imperative
werk
Conditional
zou opwerken
Future
zal opwerken
Separable verb