organiseren

Look up any Dutch word — plurals, conjugated verbs, and comparatives all resolve to the right entry

verba2
Translation
organize
Pronunciation: or-gah-nee-zay-ruhn
Example
We moeten een feest organiseren.
We need to organize a party.
Conjugation
ikorganiseer
jijorganiseert
hijorganiseert
wijorganiseren
jullieorganiseren
zijorganiseren
Past tense
organiserde / organiserden
Past participle
hebbengeorganiserd
Imperative
organiser
Conditional
zou organiseren
Future
zal organiseren