samenspreken

Look up any Dutch word — plurals, conjugated verbs, and comparatives all resolve to the right entry

verbb2
Translation
to speak together
Pronunciation: sah-men-sprey-ken
Example
We moeten binnenkort samenspreken over het project.
We need to discuss the project together soon.
Conjugation
ikspreek samen
jijspreekt samen
hijspreekt samen
wijspreken samen
julliespreken samen
zijspreken samen
Past tense
samensprekte / samensprekten
Past participle
hebbengesamensprekt
Imperative
samensprek
Conditional
zou samenspreken
Future
zal samenspreken
Separable verb