samenwonen

Look up any Dutch word — plurals, conjugated verbs, and comparatives all resolve to the right entry

verba2
Translation
live together
Pronunciation: sah-men-voh-nen
Example
We zijn van plan om binnenkort samen te wonen.
We plan to live together soon.
Conjugation
iksamenwoon
jijsamenwoont
hijsamenwoont
wijsamenwonen
julliesamenwonen
zijsamenwonen
Past tense
samenwonde / samenwonden
Past participle
hebbengesamenwond
Imperative
samenwon
Conditional
zou samenwonen
Future
zal samenwonen
Separable verb