studeren

Look up any Dutch word — plurals, conjugated verbs, and comparatives all resolve to the right entry

verba2
Translation
to study
Pronunciation: stoo-deh-ren
Example
Zij studeert elke avond voor haar examen.
She studies every evening for her exam.
Conjugation
ikstudeer
jijstudeert
hijstudeert
wijstuderen
julliestuderen
zijstuderen
Past tense
studeerde / studeerden
Past participle
hebbengestudeerd
Imperative
studeer
Conditional
zou studeren
Future
zal studeren