terugbetalen

Look up any Dutch word — plurals, conjugated verbs, and comparatives all resolve to the right entry

verbb1
Translation
refund
Pronunciation: tuh-ruhk-bay-tah-luhn
Example
Ze moeten het geld binnen een week terugbetalen.
They have to refund the money within a week.
Conjugation
ikterugbetaal
jijterugbetaalt
hijterugbetaalt
wijterugbetalen
jullieterugbetalen
zijterugbetalen
Past tense
betalde / betalden
Past participle
hebbengeterugbetald
Imperative
betal
Conditional
zou terugbetalen
Future
zal terugbetalen
Separable verb