terugkeren

Look up any Dutch word — plurals, conjugated verbs, and comparatives all resolve to the right entry

verba2
Translation
to return
Pronunciation: te-rukh-kay-ren
Example
Hij besloot om naar huis terug te keren.
He decided to return home.
Conjugation
ikkeer terug
jijkeert terug
hijkeert terug
wijterugkeren
jullieterugkeren
zijterugkeren
Past tense
keerde terug / keerden terug
Past participle
zijnteruggekeerd
Imperative
keer terug
Conditional
zou terugkeren
Future
zal terugkeren
Separable verb