teruglezen

Look up any Dutch word — plurals, conjugated verbs, and comparatives all resolve to the right entry

verbb1
Translation
to reread
Pronunciation: tuh-ruhk-lay-zuhn
Example
Ik wil dat boek nog een keer teruglezen.
I want to read that book again.
Conjugation
ikteruglees
jijterugleest
hijterugleest
wijteruglezen
jullieteruglezen
zijteruglezen
Past tense
lezde / lezden
Past participle
hebbengeteruglezd
Imperative
lez
Conditional
zou teruglezen
Future
zal teruglezen
Separable verb