uitbreiden

Look up any Dutch word — plurals, conjugated verbs, and comparatives all resolve to the right entry

verbb1
Translation
to expand
Pronunciation: out-bry-den
Example
Het bedrijf wil zijn activiteiten uitbreiden naar het buitenland.
The company wants to expand its activities abroad.
Conjugation
ikbreid uit
jijbreidt uit
hijbreidt uit
wijuitbreiden
jullieuitbreiden
zijuitbreiden
Past tense
breidde / breidden
Past participle
hebbengeuitbreidd
Imperative
breid
Conditional
zou uitbreiden
Future
zal uitbreiden
Separable verb