uitdelen

Look up any Dutch word — plurals, conjugated verbs, and comparatives all resolve to the right entry

verbb1
Translation
to distribute
Pronunciation: out-day-len
Example
De leraar begon de toetsen uit te delen.
The teacher started handing out the tests.
Conjugation
ikdeel uit
jijdeelt uit
hijdeelt uit
wijuitdelen
jullieuitdelen
zijuitdelen
Past tense
delde / delden
Past participle
hebbengeuitdeld
Imperative
del
Conditional
zou uitdelen
Future
zal uitdelen
Separable verb