uittrekken

Look up any Dutch word — plurals, conjugated verbs, and comparatives all resolve to the right entry

verba2
Translation
to take off
Pronunciation: out-trek-ken
Example
Hij gaat zijn oude schoenen uittrekken.
He is going to take off his old shoes.
Conjugation
iktrek uit
jijtrekt uit
hijtrekt uit
wijuittrekken
jullieuittrekken
zijuittrekken
Past tense
trekkte / trekkten
Past participle
hebbengeuittrekkt
Imperative
trekk
Conditional
zou uittrekken
Future
zal uittrekken
Separable verb