varen

Look up any Dutch word — plurals, conjugated verbs, and comparatives all resolve to the right entry

verba2
Translation
to sail
Pronunciation: vah-ruhn
Example
We gaan morgen varen op het meer.
We are going sailing on the lake tomorrow.
Conjugation
ikvaar
jijvaart
hijvaart
wijvaren
jullievaren
zijvaren
Past tense
voer / voeren
Past participle
hebben/zijngevaren
Imperative
vaar
Conditional
zou varen
Future
zal varen