vasthouden

Look up any Dutch word — plurals, conjugated verbs, and comparatives all resolve to the right entry

verba1
Translation
to hold
Pronunciation: vahst-how-den
Example
Kun je de deur voor me vasthouden?
Can you hold the door for me?
Conjugation
ikhoud vast
jijhoudt vast
hijhoudt vast
wijvasthouden
jullievasthouden
zijvasthouden
Past tense
hield vast / hielden vast
Past participle
hebbenvastgehouden
Imperative
houd vast
Conditional
zou vasthouden
Future
zal vasthouden
Separable verb