verzekeren

Look up any Dutch word — plurals, conjugated verbs, and comparatives all resolve to the right entry

verbb1
Translation
to insure
Pronunciation: ver-ZAY-kur-uhn
Example
Je moet je auto verzekeren.
You need to insure your car.
Conjugation
ikverzeker
jijverzekert
hijverzekert
wijverzekeren
jullieverzekeren
zijverzekeren
Past tense
verzekerde / verzekerden
Past participle
hebbenverzekerd
Imperative
verzeker
Conditional
zou verzekeren
Future
zal verzekeren