wassen

Look up any Dutch word — plurals, conjugated verbs, and comparatives all resolve to the right entry

verba1
Translation
to wash
Pronunciation: vah-sen
Example
Ik moet mijn handen wassen voor het eten.
I need to wash my hands before eating.
Conjugation
ikwas
jijwast
hijwast
wijwassen
julliewassen
zijwassen
Past tense
waste / wasten
Past participle
hebben/zijngewassen
Imperative
was
Conditional
zou wassen
Future
zal wassen