werken
Look up any Dutch word — plurals, conjugated verbs, and comparatives all resolve to the right entry
verba2
Translation
to work
Pronunciation: vair-ken
Example
Ik moet elke dag werken.
I have to work every day.
Conjugation
| ik | werk |
| jij | werkt |
| hij | werkt |
| wij | werken |
| jullie | werken |
| zij | werken |
Past tense
werkte / werkten
Past participle
hebbengewerkt
Imperative
werk
Conditional
zou werken
Future
zal werken