zenden

Look up any Dutch word — plurals, conjugated verbs, and comparatives all resolve to the right entry

verba2
Translation
to send
Pronunciation: zen-den
Example
Ik zal je een kaartje zenden.
I will send you a card.
Conjugation
ikzend
jijzendt
hijzendt
wijzenden
julliezenden
zijzenden
Past tense
zond / zonden
Past participle
hebbengezonden
Imperative
zend
Conditional
zou zenden
Future
zal zenden