aanbouwen
Zoek elk Nederlands woord op — meervoud, vervoegingen en vergrotende trappen leiden allemaal naar de juiste ingang
werkwoorda1
Vertaling
build on
Uitspraak: /ˈaːnˌbɑu̯ə(n)/
Voorbeeld
Ze willen een serre aanbouwen aan hun huis.
Vervoeging
| ik | bouw aan |
| jij | bouwt aan |
| hij | bouwt aan |
| wij | bouwen aan |
| jullie | bouwen aan |
| zij | bouwen aan |
Verleden tijd
bouwde / bouwden
Voltooid deelwoord
hebbengeaanbouwd
Gebiedende wijs
bouw
Voorwaardelijke wijs
zou aanbouwen
Toekomende tijd
zal aanbouwen
Scheidbaar werkwoord