aanspelen

Zoek elk Nederlands woord op — meervoud, vervoegingen en vergrotende trappen leiden allemaal naar de juiste ingang

werkwoorda1
Vertaling
to pass (a ball)
Uitspraak: /ˈaːn.speː.lə(n)/
Voorbeeld
Kun je de bal naar mij aanspelen?
Vervoeging
ikspeel aan
jijspeelt aan
hijspeelt aan
wijaanspelen
jullieaanspelen
zijaanspelen
Verleden tijd
spelde / spelden
Voltooid deelwoord
hebbengeaanspeld
Gebiedende wijs
spel
Voorwaardelijke wijs
zou aanspelen
Toekomende tijd
zal aanspelen
Scheidbaar werkwoord