afberekenen
Zoek elk Nederlands woord op — meervoud, vervoegingen en vergrotende trappen leiden allemaal naar de juiste ingang
werkwoorda1
Vertaling
settle
Uitspraak: /ɑfˈbeːrəˌkeːnə(n)/
Voorbeeld
Kun je de rekening afberekenen?
Vervoeging
| ik | afreken |
| jij | afrekent |
| hij | afrekent |
| wij | afberekenen |
| jullie | afberekenen |
| zij | afberekenen |
Verleden tijd
berekende / berekenden
Voltooid deelwoord
hebbengeafberekend
Gebiedende wijs
bereken
Voorwaardelijke wijs
zou afberekenen
Toekomende tijd
zal afberekenen
Scheidbaar werkwoord