afbreken
Zoek elk Nederlands woord op — meervoud, vervoegingen en vergrotende trappen leiden allemaal naar de juiste ingang
werkwoorda1
Vertaling
to break down
Uitspraak: /ˈɑfˌbreː.kə(n)/
Voorbeeld
Ze moesten het oude gebouw afbreken.
Vervoeging
| ik | breek af |
| jij | breekt af |
| hij | breekt af |
| wij | afbreken |
| jullie | afbreken |
| zij | afbreken |
Verleden tijd
brekte / brekten
Voltooid deelwoord
hebbengeafbrekt
Gebiedende wijs
brek
Voorwaardelijke wijs
zou afbreken
Toekomende tijd
zal afbreken
Scheidbaar werkwoord