afcontroleren
Zoek elk Nederlands woord op — meervoud, vervoegingen en vergrotende trappen leiden allemaal naar de juiste ingang
werkwoorda1
Vertaling
to check
Uitspraak: /ˈɑfˌkɔntroːˌleːrə(n)/
Voorbeeld
De manager moet de rapporten afcontroleren.
Vervoeging
| ik | afcontroleer |
| jij | afcontroleert |
| hij | afcontroleert |
| wij | afcontroleren |
| jullie | afcontroleren |
| zij | afcontroleren |
Verleden tijd
controlerde / controlerden
Voltooid deelwoord
hebbengeafcontrolerd
Gebiedende wijs
controler
Voorwaardelijke wijs
zou afcontroleren
Toekomende tijd
zal afcontroleren
Scheidbaar werkwoord