afdragen
Zoek elk Nederlands woord op — meervoud, vervoegingen en vergrotende trappen leiden allemaal naar de juiste ingang
werkwoorda1
Vertaling
to wear out
Uitspraak: /ˈɑfˌdraːɣə(n)/
Voorbeeld
Ze moeten een deel van hun salaris afdragen aan de belasting.
Vervoeging
| ik | draag af |
| jij | draagt af |
| hij | draagt af |
| wij | afdragen |
| jullie | afdragen |
| zij | afdragen |
Verleden tijd
dragde / dragden
Voltooid deelwoord
hebbengeafdragd
Gebiedende wijs
drag
Voorwaardelijke wijs
zou afdragen
Toekomende tijd
zal afdragen
Scheidbaar werkwoord