afhandelen
Zoek elk Nederlands woord op — meervoud, vervoegingen en vergrotende trappen leiden allemaal naar de juiste ingang
werkwoordb2
Vertaling
afhandelen
Uitspraak: /ˈɑfˌɦɑndələn/
Voorbeeld
We moeten deze zaak snel afhandelen.
Vervoeging
| ik | handel af |
| jij | handelt af |
| hij | handelt af |
| wij | handelen af |
| jullie | handelen af |
| zij | handelen af |
Verleden tijd
handelde af / handelden af
Voltooid deelwoord
hebbenafgehandeld
Gebiedende wijs
handel af
Voorwaardelijke wijs
zou afhandelen
Toekomende tijd
zal afhandelen
Scheidbaar werkwoord