afhouden
Zoek elk Nederlands woord op — meervoud, vervoegingen en vergrotende trappen leiden allemaal naar de juiste ingang
werkwoorda1
Vertaling
to keep off
Uitspraak: /ˈɑfˌɦʌu̯də(n)/
Voorbeeld
Hij probeert zijn kinderen van gevaar af te houden.
Vervoeging
| ik | houd af |
| jij | houdt af |
| hij | houdt af |
| wij | afhouden |
| jullie | afhouden |
| zij | afhouden |
Verleden tijd
houdde / houdden
Voltooid deelwoord
hebbengeafhoudd
Gebiedende wijs
houd
Voorwaardelijke wijs
zou afhouden
Toekomende tijd
zal afhouden
Scheidbaar werkwoord